E.D.C. in maart 1932

In de jaren ’30 van de vorige eeuw was de Enkhuizer Damclub een bloeiende vereniging onder het bezielende voorzitterschap van Thomas Lub, die van bakkersknecht was opgeklommen tot directeur van de plaatselijke broodfabriek.

Vanaf de oprichting in 1906 tot 1930 werd gespeeld in de Oranjezaal. Daarna tot 1936 in De Doelen, waarna een zwerftocht begon. Als we een foto van het voorcafé van De Doelen zien, dan zou het best eens kunnen dat die de locatie voor de clubavonden was. Bij wedstrijden kon dan wellicht worden uitgeweken naar de grote zaal.

DeDoelen1950

Het interieur van het café van De Doelen omstreeks 1950

Eind maart 1932 werd in Enkhuizen een wedstrijd gespeeld tegen Hollandia uit Hoorn. Het was niet de eerste keer dat beide clubs tegen elkaar speelden, maar deze pakken we er sop maar eens tussen uit. De Horinezen kwamen met 21 man naar de Haringstad, dat waren niet al hun leden, enkele hadden moeten afzeggen. Ook E.D.C. zal meer leden hebben gehad, die nu dus niet aan de bak kwamen.
De uitslagen:
 1. Piet Kort           – G. Volten     1-1
 2. Jan van der Spruijt – H. IJtsma     2-0
 3. Jaap Sterk          – Zwaan         0-2
 4. Jan Singer          – J. Sant       1-1
 5. Jan Broertjes       – Hakhoff       2-0
 6. Thomas Lub          – Buis          2-0
 7. K. de Goede         – S. Groot      2-0
 8. H. Hasselman        – de Vries      2-0
 9. Mani Greiner        – P. Groot      2-0
10. Ide (?) de Vries    – Th. IJtsma    2-0
11. Ti. Mantel          – Polman        2-0
12. C. Klouwers         – Jan Appelman  1-1
13. J. Sandstra         – Wiggers       2-0
14. P. Kofman           – A. Schutte    1-1
15. P. Visser           – Jac. Appelman 1-1
16. J. Reinders         – Streefland    2-0
17. Wesman              – G. Sant       2-0
18. M. de Goede         – Middelink     1-1
19. D. Tool             – Musman        1-1
20. D. Brouwer          – Jac van Doorn 2-0
21. K. Bankert          – D. Thie       0-2

Van de Hollandiaspelers heb ik alleen Musman gekend, een behoorlijk sterke dammer, maar hier zal hij rond de 20 zijn geweest, wellicht beginnend.
Wel staan er bij de Hollandiaspelers namen die doen vermoeden dat het Enkhuizers waren, vooral Zwaan en P. Groot. Het zou best eens kunnen dat zij voor de gasten hebben meegedaan.

De EDC’ers heb ik vrijwel allemaal gekend.

Piet Kort was een arm boertje die woonde in een nog oudere boerderij hoek Handvastwater-Noordergracht. Hij was dus eigenlijk een overbuurman van me en als zodanig zie ik hem ook nog wel voor me. Hij was zo arm – dacht men – dat Thomas Lub meestal zijn koffie betaalde. Toen hij overleed, ik denk eind jaren ’50, werd de boerderij gesloopt en vond met onder in de bedstee een paar honderd duizend gulden – zei men. Het zal wel iets minder zijn geweest, maar zijn oomzegger Piet Kort kon er op dezelfde plaats een knappe woning van bouwen, met dien verstande dat zijn voordeur aan het Handvastwater kwam, waar die van de boerderij aan de Noordergracht was geweest. Piet Kort was jarenlang onze sterkste dammer.

Jan van der Spruijt is naderhand naar Amsterdam verhuisd. Zijn vader was slager Lou van der Spruijt, ook een goed dammer. Op hun oude dag – jaren ’70 – kwamen Jan en zijn vrouw weer in Enkhuizen wonen, aan het Kwakerspad. Ik ben daar nog verschillende keren bij hem geweest.

Jaap Sterk woonde in één van de kleine huisjes aan het Spaanschleger, naast dokter Reitsma. Toen ik wedstrijdleider werd – ik zal 17 of 18 zijn geweest – kwam ik zijn naam en die van Z.J. Plat tegen. Beiden waren geen lid van de club, omdat er – naar men me vertelde – mot geweest was. Natuurlijk heb ik ze toen allebei een keer of wat opgezocht met het gevolg dat ze allebei weer lid werden. Toen Sterk zichzelf te oud begon te voelen om te spelen, kwam hij nog steeds elke clubavond kijken, stond dan achter de borden en noteerde af en toe een standje. De volgende dag kwam hij die dan bij me thuis brengen met commentaar voor het clubblad: weer een gemist damzetje!

Jan Singer woonde aan de Kerkweg in Venhuizen, tegenover de kerk. Hij was tuinder en kwam samen met Jan Broertjes, die vlak bij hem woonde, op de fiets naar de clubavonden toe. Naderhand kwam er in Venhuizen een club en zijn ze daarvoor gaan spelen. Toen die club (O.K.K.) werd opgeheven, heb ik hem weten over te halen om weer naar Enkhuizen te komen. Ook bij hem heb ik verschillende koppen koffie gedronken. Steevast kwam er dan een dambord en een blikken trommeltje op tafel. Daar zaten diagrammen in met standjes en problemen die hij had gemaakt.

Jan Broertjes zat intussen in Enkhuizen in het nieuwe rusthuis, maar voelde zich niet sterk genoeg meer om te komen dammen. Hij had wel een dambord op zijn kamer en ik kon al snel zien dat hij een aardige dammer moest zijn geweest.

Thomas Lub was vanaf de oprichting bij de club. Toen (1906) was hij nog een bakkersjongen die op de fiets brood bezorgde. Naderhand werd hij directeur van de broodfabriek. Ik denk dat hij dat in 1932 al was. In 1918 werd hij voorzitter, in 1951 nam Dessens de hamer van hem over, maar in 1955 keerde hij weer terug en bleef tot 1962. Hij woonde (later) aan de Driebanen, het eerste huis naast het Badhuis. In de tweede helft van de jaren ’50 had hij een jeugddamclub bij de stichting Jeugdbelangen, eigenlijk een onderdeel van E.D.C. Later meer over hem.

K. de Goede is waarschijnlijk N. de Goede geweest, die woonde aan de Venuslaan, maar hem heb ik niet persoonlijk gekend.

Hendrik Hasselman weer wel. Hij woonde op zijn oude dag in het bejaardenhuis aan de Westerstraat, dat later Westerhof geen heten. Zijn behoorlijk ruime kamer lag boven de voordeur, dus aan de straatzijde.

Mani Greiner woonde aan de Admiraliteitsweg, het doodlopende stukje aan het eind. Ik heb hem wel gekend maar niet als dammer, hoewel hij zo oud nog niet was. Jan Rijnders, die vlak bij hem woonde, heeft hem nog wel eens geprobeerd over te halen, maar zonder succes.

De Vries is waarschijnlijk Ide de Vries geweest, maar het kan ook Dirk de Vries zijn geweest. Allebei van voor mijn tijd. Mantel weet ik niet, Klouwers was waarschijnlijk de slager van de Wegjes, Sandstra moet één van de loodgietersfamilie zijn geweest.

Piet Kofman woonde aan de Spijtbroeksburgwal, was jarenlang vice-voorzitter in de tijd dat ik voorzitter was, en een enorm propagandist van de damsport. Taltijke liters koffie heb ik bij hem thuis gedronken. Hij komt nog wel eens terug in mijn vertellingen.

P. Visser weet ik niet. Reinders moet Jan Rijnders zijn geweest, was tuinder en woonde aan de Korte Tuinstraat, met een grote schuur waar veel van ons materiaal opgeslagen heeft gestaan. Na zijn pensionering kwam hij weer terug en was nog lang een goed (bestuurs)lid.

Wesman moet Wisman zijn geweest, die ik niet heb meegemaakt. Voor M. de Goede geldt hetzelfde. Dirk Tool was bloemist aan de Van Bleiswijkstraat. Ook hij is tot op hoge leeftijd lid gebleven. Toen hij steeds vaker zijn eigen stukken van het bord sloeg, is hij gestopt. Van K. Bankert weet ik niets, maar D. Brouwer moet welhaast de eerste voorzitter zijn geweest, Douwe Brouwer, zeer bekend figuur in Enkhuizen en de enige van ons naar wie een straat is vernoemd. Tot nu toe! Was stadsarchivaris en ook nog een poos lid van het hoofdbestuur van de K.N.D.B. Hij was een van de sterkste dammers die de club heeft gehad.

DouweBrouwer
Douwe Brouwer

We kennen de uitslag van bovengenoemde wedstrijd dankzij een artikel van 26 maart 1932 in het Westfriesch Dagblad Onze Courant, een in Hoorn gevestigde krant met een duidelijk katholieke inslag. In dezelfde krant stond de volgende advertentie:

simultaanSpringer1932

Hij zal zeker ook in de Enkhuizer Courant hebben gestaan, maar die is nog niet gedigitaliseerd, dus is het daar nog even wat lastiger zoeken.

Benedictus Springer, geboren in Amsterdam op 19 juni 1897 en overleden in Parijs op 29 augustus 1960, was de bekendste dammer in die tijd. In 1919 en 1920 deed hij mee aan het Nederlands kampioenschap, maar won niet. Tot verrassing van menigeen werd hij echter wel eventjes wereldkampioen in 1928, in Amsterdam. Hij scoorde 31 punten, 5 meer dan de Fransman Molimard en de Nederlander Herman de Jongh. Aan het volgende tournooi, in 1931, deed hij niet mee en zo verloor hij zijn titel aan Marius Fabre. In dat jaar deden overigens slechts 10 spelers mee, allemaal Fransen. Het kampioenschap werd daarom en om andere redenen ook niet erkend door de Koninklijke Nederlandse Dambond, die Ben Springer als officiële kampioen bleef beschouwen.

Maandag 28 maart 1932 kwam hij dus simultaan spelen in De Doelen aan het Spaanschleger. Maandag? Jawel, het was Tweede Paasdag. De katholieke damclubs uit de regio – dat waren er zeker een stuk of vijftien – mochten elk maximaal 5 leden voor die simultaan aanmelden. Daarnaast zullen er toch graag zo’n dertig Enkhuizers hebben willen meedoen. In totaal speelde hij tegen 70 tegenstanders. Daarnaast speelde hij een blindpartij tegen Piet Kort. Zie hier het verslag in de krant van 29 maart:

SpringerTeEnkhuizenBen Springer te Enkhuizen

Enorm veel belangstelling. De blindpartij remise geworden. Een record simultaanseance van 70 deelnemers. De grootste die Springer tot dusverre in Nederland gespeeld heeft. De wereldkampioen won 54 partijen, verloor 6 partijen en maakte 10 remisepartijen.

Het was tegen half vier, dat met de blindpartij werd aangevangen. Van een in de zaal aanwezig demonstratiebord voor de weergave van de stand werd geen gebruik gemaakt. Wel werden aan tal van toeschouwers notatiebiljetten uit gereikt om n.l. de partij aan de wedstrijdtafels te kunnen volgen. Hiervan werd een druk gebruik gemaakt. Zoo zag men in de zaal een 20 à 30 weergaveborden, elk omringd door een 5-10tal toeschouwers, zoodat het spelverloop voor een ieder van zet tot zet heel mooi te volgen was. Het bord, waar Kort in de blindpartij tegen Springer uitkwam, was wel omringd door een 30-40 kijklustigen. Met den rug gekeerd naar deze haag van toeschouwers, zat een 10-tal meters verder Springer, in een donker plaatsje der zaal aan een wandtafeltje. Sterk voorovergebogen, met het hoofd tusschen de handen en de muur vlak voor zich.

Toen er een 10-tal zetten gespeeld waren, kon men merken, dat de groote blindspelkunstenaar zich meer begon te geven. Niet door zichtbare activiteit. Neen, feitelijk juist het tegenovergestelde. Hij ging nu geheel voorover, met de armen plat, het hoofd erop rustend, geheel plat op tafel liggen. Juist de houding van iemand, die aan tafel gezeten, een tukje wil maken. De blindpartij, die in een tamelijk vlkug tempo werd gespeeld, was in een tijdsduur van ongeveer 50 minuten geëindigd. De langste zetten van Springer duurden 8-10 minuten, die van Kort 4-5 minuten.

DeDoelenVoorzijde

De Doelen, voorzijde aan het Spaanschleger, waar het café was. Links was het woonhuis van de uitbater, achter het café, op de foto rechts de grote zaal aan het Doelenlaantje.

En dan volgt de partijnotatie, een paar keer onderbroken door commentaar. Daarover straks. Eerst nog het slot van de beschouwing in de Westfriesche Courant.

De simultaanseance.

De aanblik van deze simultaanseance was een indrukwekkend en onvergetelijk schouwspel. Het deed veel denken aan de monster simultaanseance, die eenige jaren geleden de Fransche dammeester Louis Sigal in de buurt van Parijs heeft gegeven, waaraan door 106 spelers werd deelgenomen. Althans men heeft het in de bioscopen op de week-filmrevues kunnen zien. Bijna onafzienbare rijen speeltafels. Zoo ook hier. Door de donkere ruimte van den tooneel-achtergrond leek het of de spelers aan het eind der zaal, die er uit de verte heel klein uitzagen, zich oplosten in de wazige donkerte van den achtergrond. De simultaanseance, die om 5 uur aanving, was even voor 11 uur geëindigd. De uitslag was als volgt:
54 partijen gewonnen,
6 partijen verloren, tegen de heeren P. Kofman, J.v.d.Spruit Lz, en N.P. de Goede, Enkhuizen, A. Bakker te Onderdijk, K. Buis te Hoorn (de laatste helft dezer partij is overgenomen en gespeeld door Jb. Appelman) en W. Klinger te Andijk.
Een remisepartij werd door de volgende heeren gemaakt: B. Zwaan, J.Broertjes, J.M. Singer en N. Groote te Enkhuizen, P. Zwagerman te Twisk, J. Meester Wz te Andijk, K. Krom en J. Haring te Hoorn. (De 9e en 10e remise-spelers zijn ons niet bekend.)

Na afloop der blind- en simultaanseance had de wereldkampioen een welverdiend applaus in ontvangst te nemen.

De blindpartij
Over de kleur waarmee werd gespeeld, heb ik nog geen zekerheid. Boven de notatie staat Springer met wit genoemd, maar in het commentaar bij de 47ste zet wordt hij juist als zwart-speler opgevoerd. Uit andere bron weten we dat Springer een schijfwinst verwierf, dus moet hij de zwartspeler zijn geweest.

Het was overigens aanvankelijk de bedoeling dat er twee blindpartijen zouden worden gespeeld, maar door een droevige familieomstandigheid zag Springer daar vanaf.

Piet Kort – Ben Springer
1. 33-28 18-23; 2. 31-27 17-21; 3. 39-33 21-26; 4. 44-39 11-17; 5. 49-44 17-21; 6. 37-31 26x37; 7. 42x31 21-26; 8. 47-42 26x37; 9. 42x31 12-18; 10. 41-37 7-12; 11. 46-41 1-7; 12. 33-29 20-24;

De notatie klopt in de laatste zetten niet, maar met een beetje moeite was dit wel te achterhalen.

13. 29x20 15x24; 14. 34-30 10-15; 15. 39-33 14-20; 16. 44-39 20-25; 17. 50-44 25x34; 18. 40x20 15x24; 19. 31-26 5-10; 20. 36-31 10-14; 21. 41-36 4-10; 22. 44-40 10-15; 23. 39-34 14-20; 24. 43-39 7-11; 25. 34-30 12-17; 26. 48-43 8-12; 27. 27-22 18x27; 28. 31x22 2-8; 29. 37-31 9-14; 30. 30-25 24-29; 31. 33x24 20x29;

We moeten hier toch een diagram invoegen.

Dia1

Het lijkt me toe dat wit analytisch al verloren staat, maar hij is wel leuk, hoor!. De beste zet is 39-34, zwart 15-20, 30-24 20-24. Nu gaat 40-34 verliezen, dus 31-27. Daar moet u maar eens een avondje op studeren. Maar Piet Kort doet het fout:

32. 40-34 29x40; 33. 45x34

De krant geeft nu een tussenstand en schrijft:
Tot groote verwondering der toeschouwers maakte Springer thans de volgende mooie slagspelcombinatie, die een schijf winst opleverde.

33. - - - 14-20; 34. 25x14 19x10; 35. 28x19 17x37; 36. 31x42 13x24; 37. 42-37 10-14; 38. 38-33 8-13; 39. 37-31 11-17; 40. 33-28 12-18; 41. 39-33 14-19; 42. 43-39 18-23; 43. 28-22 17x28; 44. 33x22 15-20; 45. 22-17 20-25; 46. 17-12 6-11; 47. 31-27 13-18;

De laatste zet krijgt een vraagteken en het commentaar:

Dia2

Een minder sterke zet. Door 23-28 en vervolgens 19-23 te spelen had Springer binnen enkele zetten kunnen winnen. Ook had Springer met succes 23-28 en vervolgens 28-33, 34-30 en 19x39 met doortocht naar dam kunnen spelen. Nu wordt de partij remise.

48. 39-33 18x7; 49. 33-28 13x21; 50. 26x6 7-11; 51. 6x17 3-8; 52. 36-31 19-23; 53. 31-27 23-28; 54. 17-21 16x27; 55. 17-11 27-31; 56. 11-6 31-36; 57. 6-1 36-41; 58. 1-6 41-47; 59. 6x15 Remise.

De verslaggever heeft aan het slot van de partij gerommeld. Zo is zet 56 weggelaten. Ik heb dit gecorrigeerd. Conclusie van de krant:

Een partij met tamelijk ingewikkelde spelmomenten. Wellicht komen we later op de partij nog wel eens nader terug.

 

Een paar dagen later
besteedde de Westfriesche Courant opnieuw aandacht aan de simultaan (2 april 1932). Eerst wordt een opsomming gegeven van waar de deelnemers afkomstig waren:
Van de rooms katholieke bond:
4 van B.M.T. Zwaag
5 van W.I.K. Onderdijk
5 van Excelsior Blokker
4 van D.O.O. Bovenkarspel
1 van G.S.Z. Bovenkarspel
1 van T.O.G. Grootebroek
2 van D.I.D. Grootebroek
Verder
22 van E.D.C.
8 van Hollandia Hoorn
2 van Damclub Twisk
2 van Damclub Andijk
En tenslotte ongeorganiseerde dammers uit Enkhuizen, Hoorn, Grootebroek, Bovenkarspel, enz.

Vervolgens heeft men nog iets te zeggen over de blindpartij, waarin de Enkhuizer naam van Piet Kort is veranderd in de Westfriese naam Kors. Taalkundig is de krant overigens toch vrij slordig, maar dat ter zijde. Verkeerde naamspelling zal veroorzaakt zijn doordat kopij met de hand geschreven werd ingeleverd.

Toen met de blindparij tegen Kors door het aanbieden van een bedriegelijke lokzet combinatie door een ingewikkelde serpentina variant, waarbij Springer – als Kors erop was ingegaan, een drievoudige slagzet met partijwinst had kunnen maken, - steeds meer op overtuigende wijze den indruk werd verkregen, dat de prestaties van den grooten geheugenkunstenaar aan het ongelooflijke grensden, werd menigmaal fluisterend de meening geuit: Wat ’n grandiose fijne speelkunst! Wat moet dat straks worden, als straks (in de simultaan-seance) Mr. Springer bord en schijven ziet.

Het bedoelde fragment moet worden bekeken.
Mogelijk bedoelt de schrijver de 25ste zet van zwart, maar dat is toch wel erg doorzichtig.

Dia3

Met 27-21 verlies wit drie schijven, dat kan elke dammer uit zijn hoofd uitrekenen.
De gespeelde zetten zijn trouwens heel aardig:
26. 48-43 8-12; 27. 27-22 18x27; 28. 31x22.
Op 12-18 moet 37-31 18x27, 32x12 23x32, 37x27, Vraagt zwart nu met 2-8, dan loopt wit achter twee schijven met 30-25. Vraagt zwart 20-25 dan breekt wit door naar een winnende dam. Er zal voor zwart niks anders op zitten dan de doorgebroken schijf terug te gooien, oftewel twee schijven achterstand te accepteren.
Zwart speelde terecht 2-8.

Het kan ook nog zijn dat de schrijver de stand van het eerste diagram bedoelt, na de 31ste zet van zwart. Speelt wit nu 39-33. In dit geval kan zwart een dam nemen door 19-24, 28x10 17x48, 10-5 16-21 (gedwongen), 26x17 48x26, 36-31 26x33, 5x37. Wit heeft een dam tegen vier stenen, maar die staan niet zo lekker.

Simultaan1932 groepsfoto 1

De heren die staan zullen elders in het gebouw hebben gezeten, want hier staan geen 70 borden. Dit moet wel de grote zaal zijn, voor het café is de ruimte te groot, dus zullen de heren die nu staan in het voorcafé zijn geweest. Het is ook nog mogelijk dat er nog een tweede zaal was. Ik ben wel in het gebouw geweest bij een of andere uitvoering en ook toen het gebouw leeg stond, maar in mijn herinnering was de zaal breder en hoger.